Schaatsen: van bevroren sloten tot olympisch goud

Schaatsen is in Nederland veel meer dan een sport. Het zit in de genen van het land, verweven met winters, tradities en nationale trots. Zodra de temperaturen dalen en er kans is op ijs, verandert heel Nederland. Mensen halen hun schaatsen uit de schuur, kinderen leren hun eerste schuifelende stappen op het ijs en de elfstedentocht wordt elk jaar opnieuw het gesprek van de dag. Maar ook zonder strenge vorst blijft de sport springlevend, zowel op kunstijsbanen als op het hoogste niveau van de internationale sportwereld.

Een sport met eeuwenoude wortels

Al meer dan duizend jaar rijden mensen op schaatsen over het ijs. De vroegste schaatsen werden gemaakt van dierlijke botten en dienden vooral als vervoermiddel. In de middeleeuwen gebruikten mensen ze om snel van dorp naar dorp te reizen over bevroren rivieren en meren. Later kwamen er houten schaatsen met een metalen onderplaat, en uiteindelijk de stalen versie die we nu kennen. Nederland speelde een grote rol in die ontwikkeling. De Noren en Nederlanders verfijnden de techniek door de eeuwen heen, en dat legde de basis voor de wedstrijdsport die het vandaag de dag is. Op de Olympische Spelen van 1924 werd langebaanrijden voor het eerst als officieel onderdeel opgenomen. Sindsdien groeide de sport uit tot een wereldwijde competitie met miljoenen volgers.

Nederland als schaatsnatie bij uitstek

Nergens ter wereld is de liefde voor het schaatsen zo diep geworteld als in Nederland. Het land heeft decennialang wereldtoppers voortgebracht op de lange baan en het shorttrack. Namen als Sven Kramer, Irene Schouten en Kjeld Nuis zijn bekend bij jong en oud. Ook buiten de landsgrenzen zijn er grote kampioenen die een link hebben met Nederland. Anni Friesinger is daar een goed voorbeeld van. De Duitse schaatsster won drie olympische titels en zestien wereldtitels. In 2009 trouwde ze met de Nederlandse oud-topschaatser Ids Postma. Beiden waren olympisch kampioen, en samen vormen ze een bijzonder koppel in de schaatswereld. Hun verhaal laat zien hoe internationaal de sport is geworden, ook op persoonlijk vlak. De Nederlanders domineren al jaren de World Cup en de wereldkampioenschappen, en dat succes is geen toeval. Het begint bij een sterke infrastructuur met professionele ijsbanen door het hele land en een goed opgezet talentenprogramma.

Hoe het rijden op ijs werkt en wat je nodig hebt

Wie voor het eerst op het ijs stapt, merkt al snel dat balans de sleutel is. Het lichaam leunt lichtjes naar voren, de knieën zijn gebogen en de armen helpen bij het bewaren van het evenwicht. Bij langebaanrijden gaan schaatsers lange rechte stukken af met krachtige, vloeiende slagen. Shorttrackrijders daarentegen rijden op een klein ovaal en halen hoge snelheden in krappe bochten. Voor beide vormen heb je geschikte schaatsen nodig. Langebaanschaatsen zijn lang en smal, met een klapschaats als populaire variant. Bij klapschaatsen kan de hiel loslaten van het blad, wat zorgt voor een krachtigere afzet. Shorttrackschaatsen zijn korter en steviger. Naast de schaatsen zelf zijn een goede zithouding, kracht in de benen en een goede techniek bepalend voor de snelheid en het plezier op het ijs. Beginners kunnen op de meeste kunstijsbanen lessen volgen, zodat ze snel vooruitgaan.

Schaatsen als volksvermaak en topsport tegelijk

Wat de sport zo bijzonder maakt, is dat ze voor iedereen toegankelijk is. Op een zomiddag kan een topsporter zijn rondetijden verbeteren op dezelfde baan waar kinderen voor het eerst staan te waggelen op het ijs. Kunstijsbanen zijn er in bijna elke grote stad, en in de winter bieden buitenbanen en bevroren plassen een sfeer die moeilijk te evenaren is. De Elfstedentocht, met zijn bijna 200 kilometer door elf Friese steden, is het ultieme ijs-avontuur voor veel Nederlanders. Die tocht is al decennia niet gereden vanwege te zachte winters, maar de droom leeft voort. Op topniveau is het rijden allang een professionele sport geworden met full-time coaches, voedingsdeskundigen en trainingskampen in landen met sneeuw en ijs. Toch heeft de sport zijn volkskarakter behouden. Als het vriest, trekt heel Nederland naar buiten. Dat gevoel verbindt generaties en maakt de sport tot iets unieks in de Nederlandse cultuur.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen langebaanrijden en shorttrack?
Langebaanrijden gebeurt op een ovaal van 400 meter. Rijders gaan in paren tegelijk en strijden tegen de klok. Shorttrack wordt gereden op een klein ovaal van 111 meter, waarbij meerdere rijders tegelijk starten en er echt om positie gevochten wordt. De technieken en schaatsen zijn ook duidelijk anders.

Wat zijn klapschaatsen en waarom zijn ze zo populair?
Klapschaatsen zijn langebaanschaatsen waarbij de hiel los kan komen van het blad tijdens de afzet. Die beweging lijkt op lopen, wat zorgt voor een krachtigere duw en hogere snelheid. Vrijwel alle langebaanschaatsers op hoog niveau gebruiken ze.

Hoe koud moet het zijn voor natuurijs?
Voor goed en veilig rijden op natuurijs moet het minstens enkele dagen aanhoudend vriezen. Bij vijf tot tien centimeter ijs is het voor de meeste mensen veilig genoeg om op te rijden. Lokale ijsclubs meten de dikte en geven aan wanneer het verantwoord is.

Op welke leeftijd kunnen kinderen beginnen met schaatsen?
Kinderen kunnen al heel jong beginnen met schaatsen, soms al vanaf drie of vier jaar. Op die leeftijd gaat het vooral om wennen aan het ijs en het ontdekken van balans. Veel ijsbanen bieden speciale lessen aan voor peuters en kleuters, waarbij ze met hulpmiddelen leren staan en bewegen op het ijs.